Bij vergelijkingen, mogen beide breuken aan beide kanten van het = teken “gespiegeld” worden:
$$ \frac{a}{b} = \frac{c}{d} $$
is gelijk aan:
$$ \frac{b}{a} = \frac{d}{c} $$
Deze regel word geillustreerd a.d.h.v het volgende voorbeeld:
$$ RCS +1 = 0 $$
Nu word S naar een kant gebracht:
$$ RCS = -1 $$
$$ CS = \frac {-1}{R} $$
$$ S = \frac {-1}{R} / \frac{C}{1} $$
Nu komt de verplaatsing van de C in de noemer. Delen door een breuk is vermenigvuldigen met de omgekeerde breuk.
De tweede breuk omdraaien:
$$ S = \frac {-1}{R} \cdot \frac{1}{C} $$
Nu rest alleen nog vermenigvuldigen van de breuken:
$$ S = \frac {-1}{RC} $$